top of page
  • Nele Janssens

Joppe De Campeneere

Bijgewerkt op: 28 apr.

“Een activist is iemand die lansen breekt en mensen samenbrengt, en ik weet gewoon niet of ik van mezelf vind dat ik dat voldoende doe.” Van boven onze dampende kopjes koffie kijk ik hen ongelovig aan. Joppe De Campeneere zet zich al acht jaar in voor de queer gemeenschap: als projectmanager en content creator voor Wel Jong, als columnist, podcastmaker, blogger, mode-icoon en public speaker. Het lijkt ondenkbaar dat zo’n toegewijde voorvechter last heeft van imposter syndrome, maar tussen de weloverwogen woorden toont die twijfels en kwetsbare stukjes van zichzelf.


“Verwachtingen laten me snel in overdrive gaan. Op dat vlak ben ik een enorme perfectionist. Het is soms makkelijker om verwachtingen laag te houden dan om grote beloftes te doen en ze niet na te komen. Net daarom noem ik mezelf nog geen activist. Wanneer anderen me zo noemen, is het omdat ik iets deed dat ze ‘activistisch’ vinden. De verwachting is dan al ingelost, de betekenis van de term is duidelijk voor de spreker. Maar als ik me die titel toe-eigen, moet ík me afvragen wat het woord betekent en welke ladingen andere mensen eraan hangen.”


Mijn ongeloof maakt plaats voor herkenning. Ik had kunnen weten dat Joppe de rol van taal altijd zou meenemen in hun denken over gender, identiteit en de maatschappij. Nog niet zo lang geleden begeleidde ik een seminarie waarin studenten onderzochten hoe experimentele auteurs spelen met de subversieve en constructieve kracht van taal. Joppe was een van de studenten die begreep dat taal werelden creëert, maar dat wij – ook als opstandige sprekers – de taal in zekere zin meester zijn.


“Taal maakt het in de eerste plaats mogelijk om onze leefwereld betekenis te geven én verder te ontdekken. De grote angst van de massa is dat praten over non-binariteit betekent dat mannen en vrouwen moeten verdwijnen en dat taal rond mannelijkheid en vrouwelijkheid niet meer zou mogen bestaan. Ze denkt dat we streven naar een grijze brij van UHO’s: unidentified human objects. Dat is natuurlijk niet zo. We willen de taal die we nu hebben om over gender te praten nog meer uitbreiden. Een oerknal van taal over gender, een verrijking en een manier om nuance aan te brengen en om mensen te (h)erkennen.


Wat voor mij een belangrijke les was, is dat labels mij niet bepalen. Er is wel een tijd geweest waarin ik uit een heteronormatief hokje brak om in een ander hokje te kruipen – en ik denk dat veel jonge queers dat zullen herkennen. We dachten aanvankelijk ‘deze set van regels komt bij queer of gay zijn’, maar wanneer je aan een label een vaste set regels koppelt, ben je opnieuw normatief bezig. Pas als je die normaliserende reflex ontleert, kan je meer van jezelf ontdekken. Die labels dienen bovendien niet louter voor zelfontwikkeling. In essentie zijn ze er zodat ik mij aan anderen herkenbaar kan maken en mij tegenover hen kan positioneren.


Door te praten, ontdekken we meer over onszelf en over de wereld rond ons. Zeker wanneer we het hebben over kolonialisme en gender wordt duidelijk dat verschillende vormen van onderdrukking met elkaar verbonden zijn. Zodra je die verbindingen ziet, vallen de puzzelstukjes in elkaar. Het is zoals in een videospelletje, wanneer een nieuw deel van de kaart geladen wordt en plots snap je hoe de stad in elkaar zit. In dat opzicht is het jammer dat we nog vaak onze eigen verhalen vertellen en niet op zoek gaan naar een gezamenlijk verhaal.”

Een gedeeld verhaal vertellen. Als we de taal beheersen, lijkt die utopische wereld binnen handbereik. Na acht jaar vertellen en luisteren merkte Joppe echter dat er verschillende speelvelden zijn, waarin andere regels gelden.


“In het begin deelde ik mijn verhaal via mijn blog en na een tijdje werd ik opgemerkt door traditionele media. Ik dacht dat inzichten daar een groter publiek zouden bereiken, maar sommige kanalen vertrouw ik niet meer. Ik kijk bijvoorbeeld met argwaan naar de Vlaamse media. Je mag er enkel meedraaien zolang je past in het verhaal dat de norm bevestigt: een sassy, witte homo is als herkenbare karikatuur nog steeds een bevestiging van het heteronormatieve systeem. Wijk je te veel af van de norm, dan stel je dingen in vraag en dat kan een probleem worden. Daarom sturen de reguliere media hun interviews zodat je enkel antwoorden kan geven die passen binnen het kraam dat ze zelf vooropstellen. Dat blijkt tijdens de gesprekken zelf, uit de vraagstelling van de journalist, maar ook achteraf uit reacties voor en achter de schermen.


Ik was bijvoorbeeld uitgenodigd in De zevende dag, om het te hebben over non-binariteit. Achteraf werd in De ideale wereld (een humoristisch duidingsprogramma van de openbare omroep) een mop gemaakt over mijn outfit. Die grap vond ik best geslaagd – ik kan goed lachen met mezelf – maar wat volgde was veel minder respectvol: de presentator van het populaire programma stelde ‘ik zie gewoon een man’ en ondermijnde met die woorden de boodschap die ik had gebracht. Op zulke momenten vraag ik me af wat de verantwoordelijkheid is van de journalist die een interview afneemt als thinkpiece om het daarna niet meer op te volgen. Op de mailtjes die ik stuurde, kreeg ik steevast dezelfde reactie: ‘onze redactie staat hier achter, we snappen dat het ongelukkig is, maar dit is wat wij denken, het was goed bedoeld.’ Ik heb vaak gemerkt dat je mag meedoen zolang je in het speelveld past, maar als je het te veel wil veranderen, word je buitenspel gezet.


Er zijn echter ook gemeenschappen die een eigen speelveld creëren, parallel aan het normatieve systeem. Denk bijvoorbeeld aan ballroom, dat al vijftig jaar bestaat zonder dat machthebbers er vat op krijgen. Ballroom bedacht unieke, strenge regels die voor bescherming zorgen. Zo ontstond een eigen speelveld, uit noodzaak: de zwarte queer en trans mensen die aan de wieg van ballroom stonden, vormden een gemeenschap die witte machthebbers zich niet konden toe-eigenen. Ikzelf behoor niet tot de ballroomgemeenschap, maar als buitenstaander beschouw ik ze als een groep van wie we veel kunnen leren.

In 1990, toen Madonna’s ‘Vogue’ ballroom naar het grote publiek bracht, dachten veel mensen te weten wat de traditie precies inhoudt, maar dat was maar een glimp van wat ballroom is. Door erover te praten met mensen uit de ballroomgemeenschap heb ik geleerd dat er lagen inzitten waarvan wij geen idee hebben. De ballroomdansers gaven Madonna dus snippets en kozen zélf wat ze toonden. Dat gebeurt vandaag nog steeds en ik denk dat we daar echt veel van kunnen opsteken. Want daar gaat het over: wij kunnen er zelf voor kiezen wanneer we meespelen in jullie speelveld – want we leven nu eenmaal in een maatschappij die jullie vormgeven – maar onze regels en afspraken wegen het meeste door.


Ook ik heb geleerd om mijn eigen voorwaarden te stellen. Zo werk ik samen met grote bedrijven op voorwaarde dat ook jonge, onervaren mensen kansen krijgen én correct betaald worden. Ik heb het geluk een groot netwerk te hebben, en dat netwerk spreek ik graag aan: in een kamer vol professionals schuif ik altijd de juiste personen naar voren. Dat is mijn manier om mijn privilege te benutten en andere mensen een plek rond de tafel te geven.”


IJveren voor de rechten van je gemeenschap in een vijandige omgeving is bewonderenswaardig en niet zonder risico. “Ik vraag me vaak af welk vangnet er is voor mensen die hun nek uitsteken. Kijk bijvoorbeeld naar Queer Was Here in Brugge, waar artiesten bedreigd werden nadat ze hun speelveld openstelden voor anderen. Welke community care hebben wij om ervoor te zorgen dat die artiesten dat kunnen doen zonder dat hun veiligheid in het gedrang komt? Als het gaat over zorg, hebben we nog heel veel te leren. We moeten ons bewust worden van het feit dat niemand volledig verantwoordelijk is voor hun eigen veiligheid. Dat neoliberale, individualistische idee leidt ons af van wat écht nodig is: een rechtvaardig zorgsysteem. Dat wil ik meegeven: zoek je eigen identiteit en besef dat je die alleen maar kan ontdekken door met andere mensen samen te leven. We moeten het echt samen gaan doen.”


Instagram Joppe De Campeneere: @joppe_dc


Tekst: Nele Janssens

Photo's: Marijn Achten

Comments


bottom of page